Hoe mollen vangen? Een stap voor stap aanpak!

Mollen, MINDER NUTTIG dan je denkt.

De mol leeft ondergronds, ziet slecht maar voelt, ruikt en hoort uitstekend. Het is een zoogdier dat meestal solitair leeft en enkel een koppel vormt tijdens de paartijd. Meestal worden de 2 tot 7 jongen geboren tijdens de late winter of de vroege lente. Die jongen groeien bijzonder snel en gaan vanaf de late lente op zoek naar een eigen territorium. Ondergronds hebben de mollen geen natuurlijke vijanden, bovengronds worden ze bejaagd door reigers, buizerds, uilen, vossen, wezels en marters. Mollen zijn bijzonder ongewenst en schadelijk in de tuin. Ze kunnen 12 tot 15 meter tunnel per uur (!) graven en voor je het weet mag je de tuin heraanleggen.

Hoe zit een STELSEL MOLLENGANGEN in elkaar?

Een gemiddeld mollenterritorium is ca 400 m² groot. Meest opvallend zijn de bovengrondse molshopen. Dit is omhooggestoken aarde uit de diepere tunnels. Daarnaast zie je bovengronds ondiepe ‘jaaggangen’ of ‘ritten’. Ze zijn vaak zigzaggend en je herkent ze door omhoog geduwde graszode. Let wel, deze ‘jaaggangen’ of  ‘ritten’ worden door de mol slechts 1 of 2 keer bejaagd, ze zijn dus ongeschikt om klemmen in te plaatsen. Dieper in de grond (meestal ±10 cm) liggen de ‘hoofdtunnels’ of ‘passagetunnels’, hier passeert de mol wel 3-4 keer per dag. Deze gangen zijn de verbinding tussen de oppervlakkige tunnels, de diepere tunnels en het nest.  Deze tunnels zijn perfect geschikt om klemmen in te plaatsen.

Stap 1 : Zoek in het mollengangstelsel een verse molshoop

Zoek een zone die actief door de mol(len) bezocht wordt. Die zone herken je aan verse molshopen. Die verse hopen hebben steilere wanden, een iets andere kleur en zijn nog niet afgeplat door regen en wind. Twijfel? Ruim de oude molshopen op, druk de opening van de hoop goed aan. De volgende dag zie je verse hopen verschijnen.

Stap 2: Spoor een geschikte hoofdtunnel op

De ideale plek om een geschikte tunnel op te sporen is 10-50 cm naast een verse molshoop of tussen 2 verse hopen in. Prik daarna met een stokje of een staafje 10 - 20 cm diep. Schuif telkens ca 4 cm op. Je kan voelen waar er een gang zit als het staafje plots even minder weerstand heeft en nadien weer meer weerstand. Da’s goed nieuws, je hebt een geschikte tunnel doorboord. Laat het staafje zitten en zoek met een 2e staafje het verlengde van de tunnel, door een 10-tal cm verder te prikken. Spoedig vind je opnieuw de tunnel. Je bent goed bezig!

Stap 3 : Het uitsnijden van de graszode

Met behulp van een stevig, lang mes snij je zode aan, rond de prikstaafjes. Maak de opening ca 12 à 13 cm lang en ca 10 cm breed. Verwijder de graszode. Bewaar deze graszode, zodat ze na het vangen van de mol terug geplaatst kan worden.

Stap 4 : het gat en de tunnel vrijmaken en voorbereiden

Graaf met behulp van een schopje verder aarde uit, tot je aan beide zijden van het gat op de tunnels komt. Maak de randen van de opening zo recht mogelijk en schep de aarde vlak weg tot 1 cm onder de onderzijde van de openingen. Zorg er ook voor dat de tunnelopening centraal in het vrijgemaakte gat komt. Pas indien nodig de opening wat aan en zorg ervoor dat er zeker 1 cm vrij is naast de tunnelopening. Verwijder eventueel resterende aarde en maak de tunnelopening goed rond en glad.

Stap 5 : breng de klem op spanning

Ga naar een plaats met een harde, vlakke ondergrond en druk de schaarklem met je stevige schoen dicht. Bevestig dan het loshangende, metalen pinnetje in het beweeglijke, metalen plaatje met cirkelvormige uitsparing. Opgelet voor jouw vingers, de klem staat nu onder spanning. Hou ook kinderen en huisdieren op afstand. Best plaats je de klempin zodanig dat er slechts weinig opwaartse druk nodig is om de val te ontspannen, dus op de rand van het plaatje. We noemen dat de klem ’scherp’ zetten.

Stap 6 : klem plaatsen en afdekken

Zorg er voor dat de klem goed aansluit op de 2 tunnelopeningen en in het verlengde van de looprichting van de tunnel staat. Plaats de klem ± 2 cm diep in de grond zodat ze goed vast staat. Klemmen staan beter iets te diep dan te hoog.  Dek de klem af met een omgekeerde emmer, plastic pot of bakje. Leg er een steen op om wegwaaien te voorkomen. Na het plaatsen deze plek vermijden, want mollen mijden plaatsen met veel trillingen of geluid.

Stap 7 : Controleren op vangst

Na 1 dag controleer je de val. Je verwijdert de afdekking en je ziet al snel of de klem opnieuw in de oorspronkelijke, ongespannen positie staat. Dan is de kans heel groot dat je de mol gevangen hebt. Heb je één of meerdere mollen gevangen, egaliseer dan alle hopen en kijk of er nieuwe bijkomen. Je zal vaak merken dat er geen hopen meer bijkomen en dat er dus slechts 1 of 2 mollen ‘verantwoordelijk’ waren voor al dat onheil.

Stap 8: Wat als het niet meteen lukt?

Uit onze testen blijkt dat in ruim driekwart van de gevallen, en bij een correcte plaatsing, er al de eerste dag een mol gevangen wordt. Is er geen vangst na 1 dag, dan kan het nog gebeuren tussen de 2e en de 4e dag. Als er dan nog geen resultaat is, kan je best de val ergens anders plaatsen. Hoe vaker je de klemmen gebruikt, hoe vakkundiger je wordt. Mollenklemmen plaatsen is geen exacte wetenschap, de mol duwt ook al eens een steen of een kluit aarde voor zich uit waardoor de klem afspringt zonder vangst. Maar hoe dan ook, vangen zal je hem, die dekselse mol! Veel succes. 

Meer over BSI producten om mollen te vangen? Klik hier

Meer over BSI producten om mollen te verjagen? Klik hier